Nog steeds kent Marjelle Boris alleen maar als de man die af en toe prettige berichten in haar mailbox bezorgt. Nooit eerder mailde ik drie maanden met iemand zonder elkaar te ontmoeten. Binnenkort gaat het er dan eindelijk van komen. Marjelle leeft tussen hoop en vrees. Boris lijkt een hartstikke leuke man, maar tot nu toe kwamen hooggespannen verwachtingen pas één keer uit.
‘Hij is interessant. Hij is maar ietsje ouder dan ik. Hij woont in de grote stad. Hij heeft een leuke baan. Hij stemt hetzelfde als ik. Hij heeft sprekende ogen en een mooie kaaklijn. Hij houdt zich bezig met dingen die mij ook bezighouden. Hij heeft nog geen kinderen. Hij is geïnteresseerd in mij. Hij is hartstikke leuk. Het enige is… ik heb hem nog nooit ontmoet.’
Dat schreef Marjelle hier zo’n twee maanden geleden over Boris. In de tussentijd zijn er nog een stuk of wat uitgebreide mails heen en weer gegaan. Niet eens zo vaak, hij reageerde soms pas na een of twee weken op een nieuw epistel van mijn kant. Boris stelde in zijn mails nooit voor om met Marjelle af te spreken. Lange tijd vond Marjelle dat wel best. Zolang ze mailden, was het in ieder geval nog leuk. Uit tientallen eerdere ervaringen wist Marjelle dat het in het echt meestal tegenviel. Liever dat moment nog even uitstellen.
Maar ja. Boris komt natuurlijk nooit bij Marjelle op de bank terecht zolang ze elkaar alleen maar blijven mailen. En Marjelle zal zo ook nooit weten hoe Boris zoent. En dus heb ik hem toch maar eens gevraagd of hij zin had om elkaar te ontmoeten. Dat wilde Boris wel. Over anderhalve week gaan we samen ergens een hapje eten.
Nog anderhalve week nieuwsgierig blijven. Zenuwachtig. Me afvragen wat ik aan moet, waar we zouden moeten afspreken. Me verheugen en mezelf voorbereiden op een teleurstelling tegelijkertijd. Hoe groot is de kans nou helemaal dat Boris in het echt ook zo leuk is? En – zo mogelijk nog erger – hoe groot is de kans dat Boris míj in het echt ook leuk vindt?
Daten, Marjelle vindt het maar een toestand.
‘Hij is interessant. Hij is maar ietsje ouder dan ik. Hij woont in de grote stad. Hij heeft een leuke baan. Hij stemt hetzelfde als ik. Hij heeft sprekende ogen en een mooie kaaklijn. Hij houdt zich bezig met dingen die mij ook bezighouden. Hij heeft nog geen kinderen. Hij is geïnteresseerd in mij. Hij is hartstikke leuk. Het enige is… ik heb hem nog nooit ontmoet.’
Dat schreef Marjelle hier zo’n twee maanden geleden over Boris. In de tussentijd zijn er nog een stuk of wat uitgebreide mails heen en weer gegaan. Niet eens zo vaak, hij reageerde soms pas na een of twee weken op een nieuw epistel van mijn kant. Boris stelde in zijn mails nooit voor om met Marjelle af te spreken. Lange tijd vond Marjelle dat wel best. Zolang ze mailden, was het in ieder geval nog leuk. Uit tientallen eerdere ervaringen wist Marjelle dat het in het echt meestal tegenviel. Liever dat moment nog even uitstellen.
Maar ja. Boris komt natuurlijk nooit bij Marjelle op de bank terecht zolang ze elkaar alleen maar blijven mailen. En Marjelle zal zo ook nooit weten hoe Boris zoent. En dus heb ik hem toch maar eens gevraagd of hij zin had om elkaar te ontmoeten. Dat wilde Boris wel. Over anderhalve week gaan we samen ergens een hapje eten.
Nog anderhalve week nieuwsgierig blijven. Zenuwachtig. Me afvragen wat ik aan moet, waar we zouden moeten afspreken. Me verheugen en mezelf voorbereiden op een teleurstelling tegelijkertijd. Hoe groot is de kans nou helemaal dat Boris in het echt ook zo leuk is? En – zo mogelijk nog erger – hoe groot is de kans dat Boris míj in het echt ook leuk vindt?
Daten, Marjelle vindt het maar een toestand.