Men kent mij hier van grollige verhalen over slappe piemels, geile mannen en gesprongen waterledingen, droevige verhalen over respectloos gedumpt worden, en kleurige schetsjes over het leven van alledag..
Dit keer niet.
Het leven kan wreed, koud en hard zijn. En ik zal de werkelijkheid niet verbloemen onder mooie zinnen, en liegende synoniemen.
"Kankerhoer!! Waarom had je de politie gebeld? Ik haat je, lelijk kankerwijf!"
Zo werd ik vanmiddag begroet toen ik gesloopt mijn kamer binnen sjokte na een lange werkdag en een slapeloze nacht.
Mijn zoon van zestien lag uitgestrekt op de bank, jonglerend met de afstandsbediening van de televisie.
"Ik was ongerust Edwin, ik was je de hele nacht naar je aan het zoeken geweest!!"
"Koop dan een mobiel voor me stomme zwerver!" De afstandsbediening suisde langs mijn hoofd om tegen de muur uit elkaar te spetteren.
En op dat moment brak ik. Ik kon niet meer, ik was op, stuk, en als ik breek ontsteekt zich als een bliksemschicht mijn leven zoals het is: vol vernedering, geweld en angst, in stand gehouden door een allesoverheersende liefde voor mijn zoon.
Twee jaar geleden werd Edwin van het ene op het andere moment agressief en gewelddadig, steeds dichter de marge naderend van wat gedoogd wordt en wat niet...
Maar ik gedoogde uiteindelijk alles, omdat het geweld zich slechts tot mij richtte. Nog even, en het zal zich verspreiden, als een olievlek. Hoe zou ik dit kunnen voorkomen, hoe zou ik?
"Hou op!!!" schreeuwde ik, "Stop hiermee, stop!! Je maakt alles kapot, alles!! Jezelf, mij...en daarmee verdomme ook je zus en je broertje, stop in Godsnaam!!!"
En terwijl ik tekeer ging zag ik hem voor me, vers uit mijn buik geglibberd, zo mooi en zo klein, zo volkomen weerloos en volkomen verbijsterd de wereld in kijkend, zorgelijke rimpeltjes op zijn voorhoofdje.
Zijn voor een pasgeborene dikke bos donker haar, nadat hij gewassen en met zichtbaar plezier door de kraamhulp omhangen was met veel te grote kleertjes in een stoere hanenkam gestileerd...zo werd hij voor de tweede maal in mijn armen gelegd.
Verdomme, Edwin toch, waarom doe je zo, waarom in Godsnaam??? Wat heb ik je aangedaan, zeg het me dan!!!!
Er werd op mijn raam geklopt, ik veegde de tranen onder mijn ogen weg, sloot de tussendeur en opende de voordeur.
Het was mijn vriend Rens, mijn lieve vriend, die weet dat het de laatste tijd niet goed met me gaat en die uit ongerustheid naar me toe was gefietst.
Ik gebaarde dat het mis was en hij bleef aanvankelijk in de tuin staan, inmiddels bekend met de agressie van mijn zoon.
In de kamer brulde Edwin, hij schold en hij hoonde, en ik dacht dat ik gek zou worden..
"Help me in Godsnaam, doe wat of ga weg!!" gilde ik naar mijn geschrokken vriend en hij schuifelde voorzichtig naar binnen, zorgend buiten het vizier van Edwin te blijven.
Maar hij kon me niet helpen. Niemand kan mij helpen, helemaal niemand, puur omdat mijn zoon niet voor reden vatbaar is en mijn vrienden beschouwt als ongewenste autoriteiten die hem ervan zullen weerhouden zijn gedrag, waaraan hij zo verslaafd lijkt te zijn geraakt voort te zetten, en alles, alles liever dan dat...
En toen Edwin hem zag staan, daar in de keuken, zo tegengesteld aan mijn zoon, weerloos versteend van machteloosheid, stormde hij hem tegemoet. "Rot op klootzak, ik sla je kapot, wat doe je hier, rot op Godverdomme!!!"
Ik greep hem bij zijn sterke, magere jongensarmen, trok ze op zijn rug en schreeuwde: "Jij slaat niemand! Jij valt helemaal niemand aan!!"
O, het lukte me hem in bedwang te houden, en hij brieste omhoog, naar de zolder terwijl ik daar stond, bibberend in een soort trance, terwijl de tranen bleven stromen.
Ook Rens is bang voor Edwin, iedereen is bang voor hem. Zelfs ik. Maar hij is mijn kind, en ik houd van hem, want ik ben zijn moeder en een moeder ziet altijd, hoezeer haar kind zich ook misdraagt, het kleine hummeltje voor zich, dat hij ooit geweest is...
Waar ben je toch Edwin, waar ben je toch gebleven? Waarom moet ik mijn vrienden beschermen tegen jouw geweld, waarom dwing je mij door het huis te sluipen, mijn stem te dempen, mijn schaterlach binnen te houden, ook al kriebelt hij zelfs hier in huis nog tegen mijn huig, sporadisch, steeds minder vaak tot hij uiteindelijk sterft?
Waarom is mijn huis mijn huis niet meer, waarom is mijn ziel nu al meer dan twee jaren lang aan het verzuipen in een aquarium van zoute tranen?
Ik bescherm iedereen tegen jou, en ik bescherm jou tegen iedereen omdat je mijn kind bent, ik vertel bijna niemand wat er hier werkelijk gebeurt in huis, en als ik wat onthul maak ik het minder ontluisterend dan het in werkelijkheid is.
Ik kan niet alles vertellen, ook al zou ik het willen..
Hoe moet het nou met ons jongen, hoe groei jij op? Ondanks alle hulp die eens professioneel optimistisch maar volkomen tevergeefs was toegestroomd om jou weer enigszins op te krikken tot hoe je ooit was...vrolijk, talentvol, enthousiast, liefdevol, grappig, creatief en geliefd bij iedereen....en mooi, zo verschrikkelijk mooi ook..
Hoe moet het nou met jou jongen, waar ben je toch? Ik zoek me suf, elke minuut van de dag zoek ik jou, mijn Edwin... ik herken je niet in deze wrede kamikaze, hoe kun je zo geworden zijn? Wat moet ik doen om je weer gelukkig te maken, want dat ben je niet, dat kun je niet zijn, al beweer je van wel.
Hoe moet het nou met mij, hoe overleef ik dit?
En nog veel belangrijker: hoe moet het met je zus en je broertje wanneer ik nog verder degradeer tot een zielige schim van mezelf, steeds vager, tot ik nergens meer terug te vinden zal zijn? Wat moeten zij, wat moet jij, zonder moeder?
Een vader hebben jullie immers niet....
De een na de ander verdwijnt uit mijn leven. Zowel mannen als vrouwen voelen de moordende agressie en de angst in mijn zo lieve, gezellige huis.
Ik, de kankerhoer, stuur mijn vrienden de laan uit als ze al uit zichzelf de benen niet nemen, alsof de Duivel hen op de hielen zit.
Duivel, wat doe je in mijn zoon?