Het is 1986. Ik ben 19. En nog maagd. (Waarom vertel ik dat eigenlijk? Is dat voor het verhaal belangrijk? Is het erg? Nee natuurlijk niet, maar ik weet wel dat mijn maagdelijkheid begint te knellen.) Om me heen hoor ik veel vrienden over hun eerste keer. Ik luister naar hun verhalen. Ik zie de andere kant van stoere woorden. Natuurlijk was het fantastisch. Maar hun ogen spreken een andere taal.
Die zomer ga ik interrailen. Vier weken trek ik door Frankrijk, Spanje en Portugal. De eerste lange nachtreis, van Parijs naar Barcelona, delen we een treincoupé met vier Duitse meiden. Ze zijn net met hun vakantie begonnen. Wij hebben gereserveerd, zij voelen zich verplicht elders te gaan zitten. We maken duidelijk dat weggaan niet hoeft. Ze blijven, we praten. De hele nacht. Vier bijzondere meiden uit Hamburg die samen het avontuur tegemoet gaan. In Barcelona spreken we af elkaar vier weken later in hun stad weer te treffen.
Een maand en veel bijzondere ontmoetingen verder besluiten mijn vriend en ik niet naar Hamburg maar naar Zwitserland te gaan. Daar woont de nieuwe liefde van zijn leven. Daar heeft ie in Portugal mee gezoend, met de Duitse meiden hebben we alleen de afspraak. Thuisgekomen in Nederland stuur ik ansichtkaarten met verontschuldigingen naar Hamburg. Gisa reageert. We schrijven brieven en drie maanden later komt ze naar Nederland. Met haar zus en zwager. Wil ik ze Amsterdam laten zien? Ja, niets liever.
In de hoofdstad spelen we de toerist. Alles wat ik weet van mijn studentenstad toon ik. ’s Avonds laat eindigen we in Dansen bij Jansen. We praten dubbelzinnig over de gevoelens die we voor elkaar hebben maar niet durven tonen. In het Duits, want Gisa vindt het leuk mij in haar taal te horen spreken. Ik, die het vak liet vallen zodra het kon, praat Nederlands met een Duits accent. De woorden die ik nog ken, gebruik ik. Gisa vindt het süß.
Aan het eind van de avond nemen we afscheid. Bij de bushalte kijken we elkaar voor de laatste keer aan. En langzaam, heel langzaam naderen onze lippen elkaar. Dat wat de hele avond in dubbelzinnige woorden niet duidelijk gemaakt kon worden, voelt perfect. De laatste bus komt veel te vroeg. Goede reis terug morgen. Auf Wiedersehen.
De volgende morgen word ik uit mijn bed gebeld. Gisa. In paniek. Ze zijn overvallen. De auto is weg. Gestolen. Kan ik komen? Ze moeten naar de politie. Kan ik tolken? Wil ik helpen? Haar stem duldt geen tegenspraak. Opnieuw ga ik naar Amsterdam om de hele dag in bureau Warmoestraat bureaucratie van dichtbij mee te maken.
Een paar dagen later. Een brief. Met de mooiste Duitse zin die ik ooit heb gelezen: ‘Ich habe Sehnsucht nach Dir’. Mijn woordenboek vertaalt Sehnsucht met 'onweerstaanbaar groot verlangen'. Ik bloos. Gisa nodigt me uit voor Silvesterabend, oudjaar in Duitsland. Ik zeg ja.
Op 28 december arriveer ik voor de eerste keer in Hamburg. Gisa woont in een flat, samen met haar moeder en haar zusje van drie. Het huis is klein. Ze toont me mijn slaapplek. Een matras naast dat van haar. “Sorry, het kan niet anders. Vind je het vervelend?”, vraagt Gisa. Ik schud mijn hoofd. Zo dicht heb ik nog nooit bij iemand geslapen.
Die nacht ben ik stikzenuwachtig. We zijn weggeweest en sluipen ’s nachts zachtjes de flat en haar kamer binnen. We kleden ons uit en kruipen elk op ons eigen matras. Ik geef haar een nachtzoen. Ze kust me terug. “Gute Nacht.” En draait zich om. Ik luister naar de nieuwe geluiden van de nacht en val in slaap.
Twee dagen later. We worden ’s morgens vroeg wakker als Gisa’s zusje op ons bed komt dansen. We spelen met de kleine en sturen haar vervolgens de kamer uit. Gisa draait zich naar me toe, kijkt me in de ogen. “Komm”, zegt ze. Ik kruip op haar matras, we beginnen te zoenen. Haar kreuntjes maken me gek. Ik ontdek plekken waar ik niet eerder ben geweest. Haar reacties zijn bemoedigend en ik verleg grenzen.
Uiteindelijk zegt ze de magische woorden. Ik verplaats mijn lichaam zodat ik de juiste houding inneem. Ik nader de plek waar ik al jaren van heb gedroomd. Nu gaat het gebeuren. Ik ben 19. Dit wordt mijn eerste keer. Het is nog twee dagen 1986.
Dertig, veertig seconden later draai ik me van haar af. Ik snap er niets van. Ik ben niet klaargekomen. Het is erger. Ik stok voor haar mooiste, warmste en door mij meest gewenste plek. Het lukt me niet om binnen te komen. Wat ik ook doe, wat ik verwacht gebeurt niet. Zo opgewonden was ik nog nooit gefrustreerd. Gisa blijft lief, zegt niets. Doet niets. Ik zoek naar een verklaring, maar weet de Duitse woorden niet te vinden. Ik zwijg. Zoen haar. Mijn lichaam straalt spijt uit.
Die avond doen we een nieuwe poging. Ik heb die ochtend in bad de kans genomen mijn in dagen opgebouwde spanning zelfstandig te ontladen. Dat blijkt de oplossing. Veel meer ontspannen dan die morgen opent zich een nieuw universum. Ik beleef mijn eerste keer. En ben hem nooit vergeten. Ook Gisa heeft een speciaal plekje in mijn gedachten. Zowel haar persoon als haar volstrekt ongelovige reactie op mijn woorden dat het mijn eerste keer was geweest. "Das kann doch nicht wahr sein. Du war großartig."
Die zomer ga ik interrailen. Vier weken trek ik door Frankrijk, Spanje en Portugal. De eerste lange nachtreis, van Parijs naar Barcelona, delen we een treincoupé met vier Duitse meiden. Ze zijn net met hun vakantie begonnen. Wij hebben gereserveerd, zij voelen zich verplicht elders te gaan zitten. We maken duidelijk dat weggaan niet hoeft. Ze blijven, we praten. De hele nacht. Vier bijzondere meiden uit Hamburg die samen het avontuur tegemoet gaan. In Barcelona spreken we af elkaar vier weken later in hun stad weer te treffen.
Een maand en veel bijzondere ontmoetingen verder besluiten mijn vriend en ik niet naar Hamburg maar naar Zwitserland te gaan. Daar woont de nieuwe liefde van zijn leven. Daar heeft ie in Portugal mee gezoend, met de Duitse meiden hebben we alleen de afspraak. Thuisgekomen in Nederland stuur ik ansichtkaarten met verontschuldigingen naar Hamburg. Gisa reageert. We schrijven brieven en drie maanden later komt ze naar Nederland. Met haar zus en zwager. Wil ik ze Amsterdam laten zien? Ja, niets liever.
In de hoofdstad spelen we de toerist. Alles wat ik weet van mijn studentenstad toon ik. ’s Avonds laat eindigen we in Dansen bij Jansen. We praten dubbelzinnig over de gevoelens die we voor elkaar hebben maar niet durven tonen. In het Duits, want Gisa vindt het leuk mij in haar taal te horen spreken. Ik, die het vak liet vallen zodra het kon, praat Nederlands met een Duits accent. De woorden die ik nog ken, gebruik ik. Gisa vindt het süß.
Aan het eind van de avond nemen we afscheid. Bij de bushalte kijken we elkaar voor de laatste keer aan. En langzaam, heel langzaam naderen onze lippen elkaar. Dat wat de hele avond in dubbelzinnige woorden niet duidelijk gemaakt kon worden, voelt perfect. De laatste bus komt veel te vroeg. Goede reis terug morgen. Auf Wiedersehen.
De volgende morgen word ik uit mijn bed gebeld. Gisa. In paniek. Ze zijn overvallen. De auto is weg. Gestolen. Kan ik komen? Ze moeten naar de politie. Kan ik tolken? Wil ik helpen? Haar stem duldt geen tegenspraak. Opnieuw ga ik naar Amsterdam om de hele dag in bureau Warmoestraat bureaucratie van dichtbij mee te maken.
Een paar dagen later. Een brief. Met de mooiste Duitse zin die ik ooit heb gelezen: ‘Ich habe Sehnsucht nach Dir’. Mijn woordenboek vertaalt Sehnsucht met 'onweerstaanbaar groot verlangen'. Ik bloos. Gisa nodigt me uit voor Silvesterabend, oudjaar in Duitsland. Ik zeg ja.
Op 28 december arriveer ik voor de eerste keer in Hamburg. Gisa woont in een flat, samen met haar moeder en haar zusje van drie. Het huis is klein. Ze toont me mijn slaapplek. Een matras naast dat van haar. “Sorry, het kan niet anders. Vind je het vervelend?”, vraagt Gisa. Ik schud mijn hoofd. Zo dicht heb ik nog nooit bij iemand geslapen.
Die nacht ben ik stikzenuwachtig. We zijn weggeweest en sluipen ’s nachts zachtjes de flat en haar kamer binnen. We kleden ons uit en kruipen elk op ons eigen matras. Ik geef haar een nachtzoen. Ze kust me terug. “Gute Nacht.” En draait zich om. Ik luister naar de nieuwe geluiden van de nacht en val in slaap.
Twee dagen later. We worden ’s morgens vroeg wakker als Gisa’s zusje op ons bed komt dansen. We spelen met de kleine en sturen haar vervolgens de kamer uit. Gisa draait zich naar me toe, kijkt me in de ogen. “Komm”, zegt ze. Ik kruip op haar matras, we beginnen te zoenen. Haar kreuntjes maken me gek. Ik ontdek plekken waar ik niet eerder ben geweest. Haar reacties zijn bemoedigend en ik verleg grenzen.
Uiteindelijk zegt ze de magische woorden. Ik verplaats mijn lichaam zodat ik de juiste houding inneem. Ik nader de plek waar ik al jaren van heb gedroomd. Nu gaat het gebeuren. Ik ben 19. Dit wordt mijn eerste keer. Het is nog twee dagen 1986.
Dertig, veertig seconden later draai ik me van haar af. Ik snap er niets van. Ik ben niet klaargekomen. Het is erger. Ik stok voor haar mooiste, warmste en door mij meest gewenste plek. Het lukt me niet om binnen te komen. Wat ik ook doe, wat ik verwacht gebeurt niet. Zo opgewonden was ik nog nooit gefrustreerd. Gisa blijft lief, zegt niets. Doet niets. Ik zoek naar een verklaring, maar weet de Duitse woorden niet te vinden. Ik zwijg. Zoen haar. Mijn lichaam straalt spijt uit.
Die avond doen we een nieuwe poging. Ik heb die ochtend in bad de kans genomen mijn in dagen opgebouwde spanning zelfstandig te ontladen. Dat blijkt de oplossing. Veel meer ontspannen dan die morgen opent zich een nieuw universum. Ik beleef mijn eerste keer. En ben hem nooit vergeten. Ook Gisa heeft een speciaal plekje in mijn gedachten. Zowel haar persoon als haar volstrekt ongelovige reactie op mijn woorden dat het mijn eerste keer was geweest. "Das kann doch nicht wahr sein. Du war großartig."