De juf van volksdansen vroeger was een mooie jonge vrouw, met sprekende ogen en donker halflang haar. Het was zo’n juf waar je als kind graag naast staat in de kring. Op een gegeven moment vertelde mijn beste vriendinnetje dat haar oom zijn verkering met die juf had uitgemaakt en dat ze nu heel raar deed. Ze ging ’s avonds in het donker bij hem in de voortuin tussen de struiken zitten en dan gluurde ze naar binnen.
Dat is wat ik me van het verhaal herinner. Het maakte héél veel indruk op mij. Ik vond het heel erg en ongelofelijk. Mijn vriendin vertelde het op een manier dat de juf zwart werd gemaakt. Het was ‘stom’, ‘belachelijk’, ‘idioot’, ‘zoiets doe je toch niet,’ enzovoort. Iets in mij kwam daartegen in opstand. Natuurlijk was het raar en schokkend en onvoorstelbaar, maar ik bleef onbewust toch een beetje aan haar kant staan. Mijn lieve juf!
Ik heb er wel van meegekregen dat het niet de manier is om de gewenste belangstelling van iemand te krijgen. Maar ik ken inmiddels ook de wanhoop, wanneer je denkt dat je je goed kan voelen bij iemand, veilig, onbezorgd, gerust en begrepen, dat je dan eigenlijk niet wil beseffen dat hij niet geïnteresseerd is.
Het gaat bij mij dan niet meer alleen om de vraag: ‘Ik wil hem, wil hij mij ook?’ Er komt nood om de hoek kijken en je hebt iets gezien of gehoord bij die ander waar je rustig van wordt. Je zou willen schuilen, maar ook… en ook… nou ja, heel ingewikkeld. Jezelf willen zijn, misschien? En de ander zal denken: wat heb ik nou weer aan m’n broek hangen.
Iemand trof weleens die snaar. Als ik dan àl op zoek ging naar de rek in de grenzen van de ander - onhebbelijk, heel onhebbelijk - dan deed ik dat wèl beleefd!!! En… laat ik dan maar meteen het ergste vertellen: ik heb weleens gegoogled naar iemand, uit nieuwsgierigheid.. Ik rolde van het ene gegeven in het andere, kwam in de telefoongids bij een google-map terecht, koos voor satelliet en al inzoomend buitelde ik van grote hoogte naar beneden… tot ik digitaal vanuit vogelvluchtperspectief, min of meer, tussen de struiken in zijn voortuin belandde.
Met een rooie biet heb ik het weg geklikt. ‘Laat dit niet mijn stijl zijn,’ bad ik, ‘ik moet dit opbiechten, er met anderen over praten.’ En dat heb ik gedaan, onbewust ingegeven door de herinnering aan die juf.