Ik ben jarenlang stil geweest. Niemand heeft mijn gemoedstoestand destijds doorzien en die boodschap kunnen doorbreken: ‘Tuurlijk ben jij aantrekkelijk! Welke oetl*l heeft dat gezegd?’ Zoiets was van een dierbare waarschijnlijk genoeg geweest. Het is raar, maar met dat ingebakken misverstand ga je dan verder. Het wordt je blauwdruk. Ik wilde mij in de visuele wereld niet opdringen, dat werd zo ongeveer mijn levenshouding.
Ik voelde mij beschermd, toen ik (tien jaar later) een vriendje had en onaantastbaar toen ik (achttien jaar later) trouwde. Ik vond het onbeschrijfelijk naar, toen dat door scheiding weer wegviel. Ik werd gek van paniek!
Vorig jaar ben ik, verlaten en wéér met die boodschap op zak, vééél te oud voor de liefde en met een niet-zo-flitsend leven achter de rug datingland in gestapt. Met een enòrrrme rugzak dus! Mollig geworden, tenten erin, dikke sokken, bergschoenen, spijkerbroek en de eeuwige wijde trui. Hoe minder je ziet, des te beter. Laat maar waaien.
Waar haalde ik de moed vandaan? Want natuurlijk lees ik ook bladen, natuurlijk weet ik wat vrouwelijk is en mooi en leuk en aantrekkelijk. Ik heb zo vaak voor de spiegel staan passen en tutten, dat ik dacht: dit is toch leuk? Hier staat toch een leuke vrouw? Maar wat je aan je uiterlijk doet moet ook innerlijk kloppen als je naar buiten gaat, de straat op, naar je werk, de wereld in... en daar kroop ik liever in mijn schulp.
Het lijkt wel alsof ik nog steeds… met man en macht aan ‘de hele wereld’ wil bewijzen, dat ik heus wel weer iemand kan vinden die mij wil hebben. Ik doe m’n rugzak even af. Even uitblazen…