Zondagochtend staan we laat op. “We gaan wat doen, anders is het een verloren weekend.” Zegt Anna.
“Waar wil je heen?”, vraag ik nieuwsgierig.
“We gaan naar Ikea. Jij hebt een plaid nodig en ik heb trek in koffie. Ik heb een familycard.”
Ik klapper even met mijn oren maar verbaas me niet meer. Ook niet over mijn eigen reactie: “Leuk.”
In de file voor de parkeergarage vertel ik over mijn afkeer voor alles wat zweemt naar burgerlijkheid.
“Geeft niets”, zegt Anna. “We lopen lekker samen struinend door de Ikea. Als het te erg wordt, gaan we gewoon naar huis.”
Bij de keukens vergelijken we smaken. Dat doen we ook bij de Besta- en Billy-kasten, de Klippan en Karlstad-banken, de kant-en-klaar gordijnen, prints van de dekbedovertrekken en vloertapijten. We doen wat iedereen doet. Zondagmiddag, half vier. Ikea.
Halverwege naderen we het overvolle restaurant. Anna weet een slimme manier om koffie te scoren. Ze nadert de kassa van achteren en rekent twee lege koppen af. Het geld kan ze in haar zak houden. Ze heeft een familycard. Tussen de gevulde tafels vullen we de mokken met lichtzwart vocht.
“Hoe bevalt het?”
“Eerlijk? Ik vind Ikea nog steeds afschuwelijk. Maar hier vanmiddag samen met jou heb ik er vrede mee. Maar mocht je binnenkort ook mijn vrienden ontmoeten, zeg maar niets over dit avontuur. Ze zullen je niet geloven.”
Die avond zitten we op de bank. Onder de nieuwe plaid. Anna wil Boer zoekt vrouw kijken. Ik weiger. Er zijn grenzen aan mijn burgerlijkheid.