Er zijn mannen, die aandachtvol, begripvol, warm en liefdevol zijn van nature. Je krijgt het van ze, om niets. Er zit geen bedoeling achter, geen dubbele boodschap, geen indirect plan. Het komt zomaar even op je schouder zitten als een vlinder, met een teder moment van vervoering tot gevolg.
Dat kan de schaatsleraar zijn, die in het voorbijgaan een compliment roept over je techniek, waar je als een kind van gaat gloeien, of een vriend van een vriend op een feestje die je troostend voorspiegelt dat er niets verloren is nu je niet door mag gaan met je opleiding, of de schilderdocent die zegt dat je een meesterwerkje hebt gemaakt, of iemand die met je meerijdt, die zich afvraagt of je je collega’s niet zult missen, als je vertelt dat je zzp-er wilt worden, of iemand die je op je donder geeft in een reactie op een blog. Aandachtvolle opmerkingen die je raken. Voor dat alles ben ik een bodemloze put, een hol vat, een onverzadigbare spons. En ik maakte keer op keer de vergissing dat het mijn grote liefde moest zijn, die mij zo geraakt had.
Maar het is een gemis, dat ik op een andere manier zal moeten aanvullen, opvullen, invullen, verwerken. Is dat te verwerken? Het heeft met grote liefde in ieder geval niets van doen. Integendeel. Het werkt allergie in de hand en het schuurt, bijt, jeukt, je moet er van krabben, en het maakt kapot.
Daar is dus voor mij de groep van de onbereikbare lieve mannen. En ik hoop dat ik tenminste ook tot een groep behoor. De groep van de hunkerende vrouwen. Hunkerend naar liefde, aandacht, begrip en warmte. Allicht word ik over die kam geschoren als ik met een vangnet probeer de gevlogen vlinder te vangen. Schichtig deinzen zij terug, of proberen zij, alsof zij oog in oog met een roofdier staan, van het gevaar te wijken.
De vlinder blijkt een mens te zijn en ik sta voor joker met een vangnet.
‘Schrokop,’ zei laatst iemand tegen mij. Hij bleef gewoon staan. Ditmaal was ik het die terugdeinsde. Het vangnet viel in de struiken. Heb ik het net er dan toch vorige week weer uitgevist? Waarom geef ik die mannen niet gewoon de kans om lief te doen. Waarom verbaast het me zo, dat ze bestaan?
Dat kan de schaatsleraar zijn, die in het voorbijgaan een compliment roept over je techniek, waar je als een kind van gaat gloeien, of een vriend van een vriend op een feestje die je troostend voorspiegelt dat er niets verloren is nu je niet door mag gaan met je opleiding, of de schilderdocent die zegt dat je een meesterwerkje hebt gemaakt, of iemand die met je meerijdt, die zich afvraagt of je je collega’s niet zult missen, als je vertelt dat je zzp-er wilt worden, of iemand die je op je donder geeft in een reactie op een blog. Aandachtvolle opmerkingen die je raken. Voor dat alles ben ik een bodemloze put, een hol vat, een onverzadigbare spons. En ik maakte keer op keer de vergissing dat het mijn grote liefde moest zijn, die mij zo geraakt had.
Maar het is een gemis, dat ik op een andere manier zal moeten aanvullen, opvullen, invullen, verwerken. Is dat te verwerken? Het heeft met grote liefde in ieder geval niets van doen. Integendeel. Het werkt allergie in de hand en het schuurt, bijt, jeukt, je moet er van krabben, en het maakt kapot.
Daar is dus voor mij de groep van de onbereikbare lieve mannen. En ik hoop dat ik tenminste ook tot een groep behoor. De groep van de hunkerende vrouwen. Hunkerend naar liefde, aandacht, begrip en warmte. Allicht word ik over die kam geschoren als ik met een vangnet probeer de gevlogen vlinder te vangen. Schichtig deinzen zij terug, of proberen zij, alsof zij oog in oog met een roofdier staan, van het gevaar te wijken.
De vlinder blijkt een mens te zijn en ik sta voor joker met een vangnet.
‘Schrokop,’ zei laatst iemand tegen mij. Hij bleef gewoon staan. Ditmaal was ik het die terugdeinsde. Het vangnet viel in de struiken. Heb ik het net er dan toch vorige week weer uitgevist? Waarom geef ik die mannen niet gewoon de kans om lief te doen. Waarom verbaast het me zo, dat ze bestaan?