Als iets mijn relatie met andere mensen verknalt, dan is het mijn onvermijdelijke aanleg voor achterdocht. Het is er eerder dan het contact zelf. Het komt vanuit mijn botten. Het is hopeloos. Het is als een ziekte. Een gedachteloze stuiptrekking, die zo ongeveer de volgende veronderstelling omvat: ‘Jij gaat iets van mij gebruiken (op zich is dat logisch, maarrr) jij gaat dat doen zonder dank je wel te zeggen; ik kom in het verhaal niet voor; ik krijg er niets voor terug; je geeft niks om mij; je profiteert alleen maar.’
De ander, de schattige ander zou ik bijna willen zeggen, heeft het nakijken en zal op den duur afdruipen. Slechts in een enkel geval is de munitie terecht, maar daar ervaar je de lol niet van, omdat je toch maar raak schiet. De ander krijgt niet eens de kans om de fout in te gaan.
Als om de één of andere onverklaarbare reden het contact toch tot stand is gekomen, dan denk ik bij elk niesje van de ander, dat hij zo beroerd kijkt omdat hij mij niet aardig vindt. Het is een zeldzaam egoïstische ziekte, want ik kom ondertussen niet eens op het idee om hem een zakdoek aan te bieden voor zijn loopneus. Zo egoïstisch, dat ik zelf alleen maar profiteer van zijn aanwezigheid en vergeet te geven.
Ik zou wel weer eens wat beter mijn best kunnen doen om mij in te leven in de situatie van de ander en ‘er te zijn’, zonder dat hij erom hoeft te vragen of dankjewel hoeft te zeggen!
De man op twee uur reizen bij mij vandaan liet niets meer van zich horen. Ik schreef of hij mij alsjeblieft duidelijk wilde maken waar ik aan toe was. Dat heb ik liever dan dat ik moet raden, dat hij mij niet wil. Hij had allang te kennen gegeven dat hij zeldzaam lange en zware dagen maakt en bekaf is ’s avonds. Hij reageerde bijna wanhopig dat ik niet begreep waarom hij niets met mijn mails deed. Hij doet dat niet omdat hij mij niet aardig vindt, of omdat hij mij niet wil zien, maar omdat ik niks aan hem heb als hij naar mij toe komt, omdat hij dan gewoon te moe is. Hoe volwassen ik ook ben, het is bijna niet te bevatten dat ik er alleen maar voor hem kan zijn door: mij terug te trekken. Ik vond hem leuk en ik wilde hem zien.
Maar… schreef hij: ik mocht wel een keer bij hem komen kijken waar hij mee bezig was, dan zou ik het vast beter begrijpen. Alle munitie ligt op de schroothoop. Dit was zo ontwapenend.
De ander, de schattige ander zou ik bijna willen zeggen, heeft het nakijken en zal op den duur afdruipen. Slechts in een enkel geval is de munitie terecht, maar daar ervaar je de lol niet van, omdat je toch maar raak schiet. De ander krijgt niet eens de kans om de fout in te gaan.
Als om de één of andere onverklaarbare reden het contact toch tot stand is gekomen, dan denk ik bij elk niesje van de ander, dat hij zo beroerd kijkt omdat hij mij niet aardig vindt. Het is een zeldzaam egoïstische ziekte, want ik kom ondertussen niet eens op het idee om hem een zakdoek aan te bieden voor zijn loopneus. Zo egoïstisch, dat ik zelf alleen maar profiteer van zijn aanwezigheid en vergeet te geven.
Ik zou wel weer eens wat beter mijn best kunnen doen om mij in te leven in de situatie van de ander en ‘er te zijn’, zonder dat hij erom hoeft te vragen of dankjewel hoeft te zeggen!
De man op twee uur reizen bij mij vandaan liet niets meer van zich horen. Ik schreef of hij mij alsjeblieft duidelijk wilde maken waar ik aan toe was. Dat heb ik liever dan dat ik moet raden, dat hij mij niet wil. Hij had allang te kennen gegeven dat hij zeldzaam lange en zware dagen maakt en bekaf is ’s avonds. Hij reageerde bijna wanhopig dat ik niet begreep waarom hij niets met mijn mails deed. Hij doet dat niet omdat hij mij niet aardig vindt, of omdat hij mij niet wil zien, maar omdat ik niks aan hem heb als hij naar mij toe komt, omdat hij dan gewoon te moe is. Hoe volwassen ik ook ben, het is bijna niet te bevatten dat ik er alleen maar voor hem kan zijn door: mij terug te trekken. Ik vond hem leuk en ik wilde hem zien.
Maar… schreef hij: ik mocht wel een keer bij hem komen kijken waar hij mee bezig was, dan zou ik het vast beter begrijpen. Alle munitie ligt op de schroothoop. Dit was zo ontwapenend.